Het ontstaan van het Baptisme in Nederland

Gasselternijveen 15 mei 1845

 

In het kort

Ds. Feisser werd op 3 maart 1839 als predikant aangesteld van de Hervormde Kerk te Gasselternijveen, hij ondervond veel vriendelijkheid bij zijn huisbezoeken, zijn prediking trok veel mensen, de catechisatie en de Avondmaalsvieringen werden goed bezocht, de meeste mensen waren als lid aangemeld en brachten hun kinderen ter doop en van grove uitwendige zonden was er geen sprake. Op zondagmorgen 3 maart werd Feisser door zijn voorganger H. K. Roessingh bevestigd met een preek over Tit. 2:1, waarna hij ’s middags zelf sprak over Mat. 13:18. Daarnaast gaf Roessingh hem mee dat er in de gemeente “veel goedaardige menschen woonden, doch dat er geen geestelijk leven was”, iets wat Feisser zelf ook al snel zou bemerken.

 

Maar na een aantal jaren, na het lezen van een boek, (waarschijnlijk heeft hij toen Cardiphonia van de Engelse  methodist John Newton gelezen. Het belang van dit geschrift voor Feissers ommekeer blijkt uit een werkje dat hij in 1843 schreef, als verantwoording van de omslag in zijn theologische denken) draaide dat helemaal om. Zijn geloof veranderde en creëerde daarom problemen met het kerkbestuur. Een van de dingen die hij niet meer wilde doen was de kinderdoop dit leidde er toe dat hij door het Provinciaal Kerkbestuur van Drenthe op 10 januari 1844 van het predikambt ontzet is. Feisser en zijn gezin stonden toen letterlijk op straat.

 

 

In november 1844 stonden er opeens twee Duitse broeders voor zijn deur. (J. Köbner uit Hamburg en A. F. Remmers uit Jever) Door de voorganger van de Baptistengemeente in Hamburg waren zij naar Gasselternijveen gestuurd, omdat ze lucht hadden gekregen van de verwikkelingen rondom Feisser. Hoewel Feisser nog nooit van het Baptisme had gehoord, brachten de gesprekken met de broeders hem tot de overtuiging dat hij zich als ongedoopt moest beschouwen en zich door onderdompeling diende te laten dopen. En zo kwamen na enige tijd de Duitse broeders in mei 1845 terug om eerst Ds. Feisser te dopen en daarna nog 6 andere broeders en zusters, in een veenvaart achter de boerderij van Roelof Reiling. Op dat moment volgde daarop de vorming der gemeente, waartoe Dr. Feisser als leraar en Broeder Roelof Reiling tot Ouderling/ Diaken werden geordend.

 

Achter de boerderij waar de veenvaart vroeger was, aan het Schreierspad, is een herdenkingszuil geplaats met de namen van de eerste 7 Baptisten van Nederland. Dat zijn de scheepskapitein Arend Speelman uit Nieuwe Pekela, Roelof Jans Reiling en diens vrouw Geertruida Theisens en de drie broers Willem, Johannes en Hendrik Kruit.

Johannes Elias Feisser

Op 10 december 1805 werd Johannes Elias Feisser geboren in Winsum als de oudste zoon van Johannes Feisser (1773-1848) en Anna Maria Bouer (1775-1847). Later zouden er in het gezin nog een dochter en drie zoons volgen, waarvan er één al na een paar maanden overleed. De familie Feisser was van oorsprong van Duitse afkomst, maar de grootvader (1747-1813) van Johannes Elias – die dezelfde naam had – vestigde zich in 1773 Nederland om als sergeant in Nederlandse militaire dienst te dienen, wat in die tijd een natuurlijke bondgenoot was. In datzelfde jaar trouwde hij met Anna Carsjens (1755-1833), afkomstig uit Middelstum bij Delfzijl. Zowel de vader als grootvader van Feisser zat in militaire dienst. Zij hadden het Beleg van Maastricht in 1793 meegemaakt, grootvader Feisser als kapitein-kwartiermeester en vader Feisser als vaandrig. Dit beleg betrof een aanval van Frankrijk – die begin februari 1793 de oorlog aan Nederland had verklaard – op Maastricht in februari en maart van dat jaar. Dankzij het ingrijpen van het Oostenrijks-Pruisische leger, kwam er een einde aan dit beleg. Waarschijnlijk heeft Johannes Feisser in 1805 de militaire dienst verlaten om als rijksontvanger in Winsum te gaan werken. Toen Johannes Elias 2 jaar oud was, is het gezin naar Veendam verhuisd en daar heeft Johannes Feisser tot aan zijn pensioen in 1840 als rijksontvanger gewerkt, waarna hij in zijn geboorteplaats Groningen is gaan wonen. Het is dus de veenkolonie Veendam waar de jonge Feisser zijn jeugdjaren heeft doorgebracht. Johannes Elias kwam uit een militairengeslacht, dus het was de verwachting dat ook hij in militaire dienst ging. Maar het was vermoedelijk zijn grootmoeder Anna Carsjens die wilde dat hij theologie ging studeren. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1813 trok zij in bij het gezin van haar zoon. Waar het geloof voor hen een zaak van gewoonte was, daar deelde zij haar toegewijde geloof met de jonge Feisser. Dus op 16 mei 1823 meldde hij zich aan bij de Academie van Groningen, waar hij op 3 juni 1824 zijn kandidaats bul voor de Faculteit der Theoretische Filosofie en Klassieke Letteren ontving, om zich te storten op de theologie. In 1827 won hij een gouden erepenning voor een prijsvraag over de goddelijke natuur van Christus, een werkje dat hij in 1830 uitbracht. Op 3 mei 1827 kreeg hij van het provinciaal kerkbestuur in Leeuwarden de bevoegdheid om te preken, door het behalen van zijn propopentsexamen. Maar eerst besloot hij een jaar in Leiden te studeren, waarna hij op 21 juni 1828 zijn doctoraat in de theologie behaalde door te promoveren op een proefschrift over het leven van Basilius de Grote. Eigenlijk wilde hij een nieuwtestamentisch onderwerp kiezen, maar onder invloed van zijn leermeester professor Th. A. Clarisse (1795-1828), koos hij toch voor de kerkgeschiedenis.

 

Deze Clarisse – zoon van de hoogleraar in Leiden, J. Clarisse (19-10-1770 te Schiedam -29-11-1846 te Rheden)  – studeerde theologie in Harderwijk en Leiden, waar hij naast zijn vader onder invloed stond van J. H. van der Palm. In Leiden kreeg de kerkgeschiedenis zijn interesse en hij won goud met een prijsvraag over Athenagoras. In 1819 promoveerde hij op de Psalmen hammaaloth. In dat jaar werd hij ook als predikant bevestigd in Doorn en onder invloed van zijn studievriend J. F. Van Oordt raakte hij geïnteresseerd in het werk van Ph. W. Van Heusde. In 1823 werd hij hoogleraar in Groningen, ter assistentie van H. Muntinghe,  die op zijn aanstelling had aangedrongen. In zijn colleges kerkgeschiedenis, waarin hij vooral de Middeleeuwen en de patristiek behandelde, was vooral de invloed van Van Heusde merkbaar. Clarisse’ s succesvolle carrière werd echter ruw doorbroken door zijn plotselinge en vroegtijdige overlijden in 1828. Hij opereerde in de geest van het supranaturalisme, maar kan ook worden gezien als een overgangsfiguur naar de Groninger Theologie. Hij combineerde inzichten uit de kritische filosofie en de natuurkunde met een belangstelling voor het gemoed. Zijn promovendus en vriend P. Hofstede de Groot zou hem opvolgen, bovendien zou niet lang na zijn overlijden Van Oordt naar Groningen komen. Deze mannen zouden het onderwijs van Clarisse voortzetten en de grondleggers worden van de Groninger Theologie. Ook Feisser zou in het begin van zijn carrière nadrukkelijk onder invloed staan van het gedachtengoed van Clarisse.

 

Huwelijk

Feisser studeerde af en werd op 3 augustus 1828 predikant van de Hervormde Kerk in Lekkum en Miedum. De eerste drie jaar als predikant bracht Feisser door in deze Friese dorpjes. Daar bleek hij al snel dat hij een goede spreker was. Ook werd zijn leven verrijkt werd met een levensgezellin. Kort voor zijn vertrek trouwde hij (7 november 1830 te Ameland) met een vrouw van voorname afkomst: Geertruida Elisabeth Barbara Orrock (1812-1836), baronesse van Heeckeren. Zij was de dochter van Walraven Robbert Jacob Derk Baron van Heeckeren, (1779 – 1837) en Maria Catharina Magdalena Dees (1782 – 1859), die page van Willem V en opperstrandvonder van Ameland was. (Een page was een jongen die vanaf zijn vijfde of zesde levensjaar in dienst van een ridder opgeleid werd tot schildknaap. Als de page voldoende fysieke kracht had, zich had bekwaamd in de deugden van een ridder en in staat was om in veldslagen mee te vechten, werd hij rond zijn vijftiende jaar schildknaap)

Werk

Na een beroep uit Winschoten, vertrok Feisser op 31 oktober 1831 uit Lekkum en Miedum, om vanaf 8 november zijn werkzaamheden in het Groningse stadje voort te zetten. Hoewel hij hier geen twee jaar zou blijven, bracht hij er in augustus 1832 wel een boekwerkje uit, waarin hij aan de hand van de vier evangeliën het leven van Jezus Christus beschrijft. In dit werkje zien we de invloed van zijn leermeester Clarisse. Met een nadruk op de rede en de deugd, ademt dit boekje de geest van het supranaturalisme, die in die tijd het denkklimaat binnen de kerk beheerste. Bovendien zien we invloeden van de opkomende Groninger Theologie, aangezien Jezus als een wijsheid leraar wordt gepresenteerd, die gekomen is om het volk op te voeden.

 

Vanaf 9 juni 1833 werd Feisser voorganger in Franeker. Aangezien de oude universiteit in 1811 was opgeheven en in 1815 ter compensatie door een Atheneum was vervangen, was er niet meer veel van de oude glorie over. Toch mocht hij hier nog een tijd het professoraat waarnemen. Dat toont aan dat de jonge theoloog behoorlijk wat in zijn mars had. Bovendien was hij een graag geziene gast in hogere kringen. Maar al snel zou hij met tegenspoed te maken krijgen. Waar hij in oktober 1833 al zijn pasgeboren zoontje moest begraven, daar sloeg het noodlot in 1836 toe: twee kinderen en zijn vrouw overleden in dit jaar. Ook fysieke malheur bleef hem niet bespaard: in het voorjaar van 1838 werd hem het zicht in zijn rechteroog door een ontsteking grotendeels ontnomen, bovendien was hij slecht bestand tegen het ruwe zeeklimaat. Door deze omstandigheden fysiek en mentaal gebroken, vroeg hij zijn ontslag aan, wat hem op 27 september 1838 op eervolle wijze werd verleend.

 

Dieptepunt

Achtergebleven met één dochter, besloot Feisser terug te keren naar zijn ouderlijk huis in Veendam, om tot herstel te komen. Als hij later terugblikt op deze periode, dan stelt hij dat hier de “beginselen van de verstand verlichtende en hart veranderende werking des heiligen Geestes” in zijn leven zichtbaar werden. Het lijden bracht hem dichter bij de echtheid van de goddelijke dingen, die niet van deze wereld zijn. Deze inzichten zouden nog niet leiden tot een breuk met de theologie van die dagen, maar brachten hem wel tot een herstel die hem in staat stelde om een nieuw beroep aan te nemen. Op 3 maart 1839 werd hij namelijk als predikant aangesteld van de Hervormde Kerk te Gasselternijveen in Drenthe.  Bovendien vond hij een diepe zielsvreugde, die hij niet eerder had gekend, die hem de geesteskracht gaf om zijn werk met nieuwe bezieling uit te voeren.

DE GEBEURTENISSEN IN GASSELTERNIJVEEN (1839-1849)

Met zijn aanvaarding van het beroep uit Gasselternijveen komen we in een periode in Feisser ’s leven waarin er een grote ommekeer zou plaatsvinden, hoewel dat de eerste jaren nog niet direct zichtbaar was. De eerste bevindingen van de voorganger waren namelijk positief: hij ondervond veel vriendelijkheid bij zijn huisbezoeken, zijn prediking trok veel mensen, de catechisatie en de Avondmaalsvieringen werden goed bezocht, de meeste mensen waren als lid aangemeld en brachten hun kinderen ter doop en van grove uitwendige zonden was er geen sprake. Op zondagmorgen 3 maart werd Feisser door zijn voorganger H. K. Roessingh bevestigd met een preek over Tit. 2:1, waarna hij ’s middags zelf sprak over Mat. 13:18. Daarnaast gaf Roessingh hem mee dat er in de gemeente “veel goedaardige menschen woonden, doch dat er geen geestelijk leven was”, iets wat Feisser zelf ook al snel zou bemerken. De invloed van de Groninger Theologie op het denken van Feisser zou in deze periode nog nadrukkelijk blijken in een werkje dat hij uitbracht in het voorjaar van 1841. Vanuit een Christocentrische benadering benadrukt hij dat de mens zich tot volmaakbaarheid in geloof, liefde en hoop moet laten opleiden tot nut voor het huidige en toekomstige leven. Bovendien quote hij met instemming een artikel van professor Hofstede de Groot uit Waarheid in Liefde en hij ontkent de erfzonde.

 

 

Verandering

Maar in de herfst van 1841 – dezelfde periode als waarin hij zou trouwen (27-10-1841) met Karsina Hovingh Wichers één van zijn gemeenteleden – zou er definitief een verandering plaatsvinden in het denken van de predikant van het Drentse dorp. Waarschijnlijk heeft hij toen Cardiphonia van de Engelse methodist John Newton gelezen. Het belang van dit geschrift voor Feissers ommekeer blijkt uit een werkje dat hij in 1843 schreef, als verantwoording van de omslag in zijn theologische denken.

 

Hierin schrijft hij: Prof. Hofstede de Groot moet: “NEWTONS brieven vooral lezen en herlezen, en mogt de Almagtige hem daardoor de oogen openen, dat hij regt zien kan.” Bovendien herroept hij alles wat hij daarvoor “tegen de waarheid gesproken en geschreven” heeft. Ook stelt hij: “Onze natuur is geen schoon papier, waarop het goede maar zoo weggeschreven kan worden, want dat papier is gansch bemorst en beklad door den Vorst der duisternis, onder wiens heerschappij allen korter of langer als slaven hebben moeten leven.”

 

Feissers nieuwe inzichten zouden hem al snel voor problemen plaatsen in zijn gemeente. In de winter van 1842/1843 zouden er een aantal conflicten plaatsvinden die zorgden voor verwijdering tussen de voorganger en een groot deel van de gemeenteleden. Het eerste conflict vond plaats toen de kerkenraad op zaterdagmiddag 27 november 1842 bijeen was voor de benoeming van nieuwe kerkenraadsleden. Zoals gebruikelijk stelde de aftredende ouderling zijn opvolger voor. Zo stelde Hendrik Luis voor dat Hendrik Theeuwes hem zou opvolgen. Maar Feisser vond hem niet geschikt, omdat hij de kenmerken der genade niet bezat en hij stelde Hendrik Reiling (broer van Roelof Reiling) voor als alternatief. Toen de andere ouderlingen toch hun voorkeur uitspraken voor Theeuwes, stortte Feisser na afloop van de vergadering zijn teleurstelling uit bij een gezin uit de gemeente. Toen er bij hen een bezoeker langskwam, zette dit gesprek zich gewoon door. De voorganger besloot dat hij de benoemde ouderling ertoe zou bewegen om toch af te zien van zijn benoeming. Toen hij hem de volgende ochtend sprak en Theeuwes ervan overtuigde om te bedanken voor zijn taak als oudste, ging Feisser er vanuit dat alles in kannen en kruiken was. Maar toen de kerkenraad de volgende vrijdag bijeen was, hoorde hij tot zijn verbazing dat Theeuwes niet had bedankt. Nu bleek dat de persoon die bij het vertrouwelijke gesprek tussen de voorganger en het gezin aanwezig was geweest, zijn mond voorbij had gepraat tegen de zoon van Theeuwes. Toen Feisser en de andere ouderlingen poolshoogte gingen nemen bij Theeuwes, werd de voorganger met smaad overladen. Hij probeerde Theeuwes en de andere ouderlingen ertoe te bewegen alsnog een andere ouderling te kiezen, maar het was al te laat.

 

Feisser – die streefde naar een zuivere gemeente van gelovigen – had daarmee graag willen beginnen door een kerkenraad van “waarheidlievende en godvrezende mannen” samen te stellen. Daarna zou dit streven zich gaan toespitsen in een conflict rondom het Heilig Avondmaal. Toen in maart 1843 de tijd naderde dat het Avondmaal zou worden gevierd, kwam de kerkenraad bijeen. Feisser gaf aan dat hij een aantal leden vanwege volharding in hun zonde wilde weigeren van de Avondmaalstafel en hij wilde hen onder censuur stellen, de andere kerkenraadsleden wilden hem hierin echter niet volgen. Toen één van de leden die hij onder censuur had willen stellen nog steeds geen berouw toonde, was het de voorganger onmogelijk het Avondmaal te bedienen en hij vroeg een collega om voor hem in te vallen. In mei 1843 deed een soortgelijke gebeurtenis zich voor in de voorbereiding op het Avondmaal, weer weigerden de kerk raadsleden in te stemmen met de censuur. Toen er na de voorbereidingsprediking een van de censurabele leden opstond om deel te nemen aan het Avondmaal, ontbrak het Feisser aan de vrijmoedigheid het uit te delen. Dus na het breken van het brood en het inschenken van de wijn, stelde hij: “dat degenen die vrijmoedigheid vonden om het te gebruiken, het nemen konden.” Achteraf had de voorganger hier berouw van en hij ging gebroken naar huis.

 

Het was duidelijk dat de situatie op deze manier niet aan kon houden. Toen hij op de schriftelijke visitatie van 21 mei 1843 de tussenkomst van het klassikaal bestuur inriep, zodat hij de gemeente “naar Gods Woord en de regelen van onze Hervormde kerk mocht kunnen leiden”, bleef antwoord uit. Toen hij ruim een maand later bij een klassikale vergadering in Assen na een referaat over Welk begrip behoren wij ons te vormen van de gemeente des Heeren? Vroeg of het voldoende was om een mondelinge aanklacht in te dienen, kreeg hij een ontkennend antwoord. Daarop stuurde hij de volgende dag een missive, die er toe leidde dat er op 18 augustus een kerkvisitatie plaatsvond. Feisser pleitte voor de afzetting van een aantal ouderlingen en voor hun censurering, totdat ze tot bekering zouden komen. Daarnaast wilde hij van het klassikale bestuur bevestigd krijgen dat de leden die hij als censurabele aanmerkte, dat ook daadwerkelijk waren. En hij wilde vrijgesteld worden van de bediening van de doop en het Avondmaal, totdat er een kerkenraad geformeerd zou zijn die hem zou ondersteunen in het beoordelen van gemeenteleden, in hoeverre de tekenen van het genadeverbond bij hen aanwezig waren. Maar er was weinig gehoor voor de woorden van de voorganger.

 

Toen vervolgens de tijd van het herfstavondmaal aanbrak en de situatie ongewijzigd bleef, gaf Feisser in een brief aan het klassikale bestuur te kennen zich niet vrij te voelen het Avondmaal te bedienen. Bovendien benoemde hij in dezelfde brief gewetensbezwaren te hebben rondom het dopen van kinderen, waarvan hij ook vrijgesteld wenste te worden “tot dat de Heer mij door het een of ander middel van de geoorloofde dezer zaak zal overtuigd hebben”. Het is in deze periode dat Feisser zijn eerder genoemde werkje (boek) “Eene roepstem” uitbracht. GESCHREVEN DOOR JOHANNES RONGE Hierin geeft hij aan dat “alleen geloovigen mogen gedoopt worden. De kinderdoop is lang na de Apostolische tijden, tegen het bevel des Heeren aan, in de kerk ingeslopen, en het stand te brengen, gefundeerd op den Heere Jezus en de Apostelen, ook wel eene der eerste bepalingen bij die kerk worden, dat men alleen de geloovigen doope.” In september 1843 gaat hij dieper op deze materie in wanneer hij zijn Beknopte aanwijzing van het ongeoorloofde in den doop der kleine kinderen uitbrengt. Hierin geeft hij Bijbelse, historische en kerkelijke bezwaren tegen de kinderdoop. Als Feisser vervolgens weigert het kind van een gemeentelid te dopen, dan verschijnt deze met twee ouderlingen voor zijn deur. Daar overhandigen ze hem een missive van het klassikaal bestuur, waarin hij opgewekt wordt in overeenkomst met zijn eens gedane belofte de doop en het Avondmaal te bedienen. In antwoord schrijft hij deze belofte in onwetendheid te hebben gedaan.

 

De weigering van de voorganger bracht veel beroering met zich mee. Op een oktoberavond werden de ramen van de pastorie ingegooid. En inmiddels breidde het gerucht dat hij kinderen niet meer wilde dopen zich uit tot buiten de landsgrenzen. Zo kreeg hij op een zekere dag een paar mannen uit Velthuizen in Bentheim op bezoek, die hem als oudste predikant wilden aanstellen, met vrijstelling van de doop. Maar omdat Feisser er een verzoeking van de Heer in zag, weigerde hij. Ook kreeg hij een bezoek van een paar Afgescheiden broeders – onder wie ds. Brummelkamp – maar hij vond hen te schools en zij vonden hem te vrij en konden niet meekomen in zijn doopsopvatting. Vervolgens kwam er op 9 november opnieuw een bezoek van het klassikaal bestuur, waarin hij zijn bezwaren herhaalde. Drie weken later kreeg het provinciaal kerkbestuur de zaak in handen en op 19 december moest Feisser voor de commissie verschijnen. Toen hem gevraagd werd of hij kon beoordelen wie er gerechtigd waren om bij het Heilig Avondmaal aan te gaan, zei hij dat hij dit “door genade, dat als ik eenige jaren met iemand omgegaan had, zijnen wandel gadeslaande, en meermalen met hem sprekende over den weg des heils en het leven des geestes, dat ik mij dan wel eenigzins bekwaam gevoelde, om te verklaren, of zoo iemand onder de bekeerden of onbekeerden geteld moest worden.”

Diezelfde avond besloot het provinciaal kerkbestuur hem uit zijn ambt te ontzetten wegens stellige weigering van een gedeelte van zijn dienst en het stichten van ergernis en wanorde. Hij mocht de feestbeurten nog waarnemen en kreeg zijn traktement tot 1 januari uitbetaald. Op nieuwjaarsmorgen 1844 werd het vonnis van zijn afzetting door een collega predikant aan de gemeente voorgelezen. Feisser en zijn gezin stonden letterlijk op straat.

 

Na dat hij uit zijn ambt is gezet

Vermoedelijk is het echtpaar tijdelijk bij de ouders van Feissers echtgenoot gaan wonen. En al gauw vatte hij de pen op, dus op 20 februari 1844 zag Eene noodige waarschuwing het licht. Hierin schrijft Feisser over het wezen, de namen en het werk van de Heilige Geest, over het belang van de Geest om tot wedergeboorte te komen en deel uit te maken van de gemeente en de rol die de doop daarbij speelt. Later in dat jaar volgt Getrouw verhaal, waarin hij een verantwoording geeft van de voorliggende periode en de verwikkelingen die daarin plaatsvonden tussen hem en zijn gemeente. Inmiddels kwam Feisser met een handvol getrouwen op zondagen samen in zijn huis. Maar dan staan er in november 1844 opeens twee Duitse broeders voor de deur: J. Köbner uit Hamburg en A. F. Remmers uit Jever. Door de voorganger van de Baptistengemeente in Hamburg – J. G. Oncken – waren zij naar Gasselternijveen gestuurd, omdat ze lucht hadden gekregen van de verwikkelingen rondom Feisser. Omdat zij zich pas in de avond meldden, vroegen ze na enige tijd met Feisser gesproken te hebben, of zij bij hem konden blijven slapen. Na enig twijfelen stemde zijn vrouw hiermee in. Hoewel Feisser nog nooit van het Baptisme had gehoord, brachten de gesprekken met de broeders hem tot de overtuiging dat hij zich als ongedoopt moest beschouwen en zich door onderdompeling diende te laten dopen. Omdat hij hierover eerst wilde overleggen met zijn getrouwen, namen de broeders biddend afscheid. Na wat briefwisselingen werd er besloten dat Feisser in mei 1845 naar Hamburg zou komen, om met Oncken te spreken. Toen hij hen daar al snel van zijn zuivere geloof overtuigde, reisde Köbner met hem mee terug naar Gasselternijveen. En op 15 mei 1845 werd Feisser, samen met zes van zijn medestanders, gedoopt door onderdompeling op grond van zijn geloof. Daarna sprak Köbner over Psalm 92 en Feisser werd tot herder en leraar, en Roelof Reiling tot diaken van de nieuwgeboren Gemeente van Gedoopte Christenen aangesteld. Al snel werd er een adres tot de koning gericht met het verzoek tot erkenning van een Christelijk Afgescheiden Gemeente, met een gereformeerde belijdenis, met uitzondering van de doop. Op 13 augustus 1845 kregen ze deze erkenning.

 

In september van dat jaar, was er wederom een feestelijke gebeurtenis: Feissers echtgenote, die vanwege haar zwangerschap niet eerder gedoopt kon worden, werd door Oncken in Gasselternijveen gedoopt. Toch viel het Feisser zwaar dat de deuren om op andere plekken te preken, voor hem gesloten waren en dat hij zijn traktaten nergens kwijtraakte. Bovendien bleven aanhoudende lichaamskwalen hem kwellen, waardoor hij in 1846 voor twee maanden een waterkuur onderging in de Bohemen. Hoewel hij zich hierdoor wel beter voelde, herstelde hij niet volledig. Daarnaast lukte het niet echt om tot uitbreiding van de gemeente te komen. Hierdoor besloot hij uiteindelijk om in 1849 naar Nieuwe Pekela te verhuizen, in de hoop daar meer vruchtbare grond te vinden.

 

DE STILLE PERIODE (1849-1865)

 

Na de zeer onstuimige periode in Gasselternijveen, lijkt het alsof Feissers leven in de laatste jaren als een nachtkaars uitbrandde. In 1850 is hij nog een korte periode in Amsterdam geweest om daar als voorganger van de gemeente te fungeren (in 1845 zijn Feisser en Köbner na de doopplechtigheid in Gasselternijveen doorgereisd naar Zutphen en Amsterdam om daar anderen te dopen). Maar al gauw bleek dat de gemeente er nog niet klaar voor was om een voorganger te onderhouden, bovendien waren ze te onvolwassen in hun geloof. Dus na een paar weken vertrok Feisser, een illusie armer, weer terug naar Nieuwe Pekela. In de jaren erna heeft hij op afstand de gemeenten in Gasselternijveen en Nieuwe Pekela gediend. Bovendien was hij in Nieuwe Pekela nog actief op maatschappelijk gebied als lid van de schoolcommissie en de gemeenteraad, als ambtenaar van de burgerlijke stand en tijdelijk als wethouder. In 1858 vertaalde hij nog een werkje uit het Duits onder de titel De Levenswekker, wat misschien wel het meest tekenend is voor zijn toestand in die periode. Het betreft namelijk een medicijn voor diverse ongesteldheden. In zijn voorwoord benoemd hij zelf “van langdurig en smartelijk ligchaamslijden door het gebruik van den Levenswekker verlost” is. Tot aan zijn dood op 2 juni 1865 zou Feisser gekweld blijven door fysiek lijden. Ook binnen zijn gezin zou hij veelvuldig met lijden te maken blijven houden. Waren uit zijn eerste huwelijk al drie kinderen gestorven, ook zijn laatste kind uit dat huwelijk stierf al op 21- jarige leeftijd. Eveneens uit zijn tweede huwelijk zouden vier van zijn acht kinderen op zeer jonge leeftijd overlijden.

 

DE BATAAFSE EN FRANSE TIJD (1795-1813)

 

Om de kerkelijke en politiek-maatschappelijke situatie van Nederland aan het begin van de 19e eeuw goed te kunnen begrijpen moeten we terug naar de Franse Revolutie van 1789. Deze revolutie leidde er namelijk toe dat er een einde kwam aan het ancien régime in Frankrijk: de standenmaatschappij, waarbij geestelijke en wereldlijke macht samengingen. Net als in Amerika (1776) kwam er een constitutie waarin godsdienstvrijheid en de scheiding van kerk en staat werden vastgelegd, bovendien kreeg het volk meer macht ten opzichte van de heersende machthebbers. In Frankrijk heerste er in die tijd onder invloed van de Verlichting een antichristelijke geest en er werd een eredienst van de rede ingevoerd. Hoewel in Nederland gematigdheid de boventoon voerde en de situatie dus lang niet zo ingrijpend zou zijn als in Frankrijk, werden de invloeden van de Franse situatie er toch wel degelijk zichtbaar. In 1795 was namelijk de Bataafse Revolutie: met behulp van Franse troepen lukte het de patriottistisch ingestelde Nederlanders om de macht over te nemen in de zeven provinciën van Nederland. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en de Bataafse Republiek was een feit. Hoewel Nederland officieel onafhankelijk was, bleek al snel dat zij de Franse belangen moesten dienen.

 

Op 1 maart 1796 kwam de eerste Nationale Vergadering in Den Haag bijeen om een nieuwe grondwet te ontwerpen, welke op 23 april 1798 gereed kwam. Vooral de eenheid van de staat werd benadrukt en er kwam een einde aan de federalistische structuur van de oude Republiek. Hoewel men godsdienstige handelingen op het gebied van de staat wilde uitbannen, werd er toch een door de Verlichting beïnvloed formuliergebed opgesteld waarmee vergaderingen werden geopend. Daarin werd het “Algenoegzaam Opperwezen”  opgeroepen het Vaderland met wijsheid en liefde te besturen. Bovendien werd godsdienst gezien als de “eenige bron van eeuwig heil, grondslag van Deugd, van goede zeden en daarvan onafscheidelijk volksgeluk.” Daarom zou de overheid ervoor zorgen dat godsdienstig onderwijs bevorderd werd en dat kerkelijke leraren behoorlijk betaald zouden worden. Maar na een overgangstermijn van drie jaar, zouden de kerken hier zelf verantwoordelijk voor worden. Bovendien werd er gesteld dat er geen bevoorrechte kerken meer mochten zijn. Dit zou met name voor de Hervormde Kerk een achteruitgang betekenen, maar voor de andere groepen zoals de katholieken, kleine protestantse kerken en de Israëlieten zou er eindelijk verandering komen in hun eeuwenlange achtergestelde positie. Wel nam de overheid er de tijd voor om deze verandering plaats te laten vinden.

 

Uiteindelijk zouden niet alle nieuwe wetten worden uitgevoerd, door de veranderingen die er in Frankrijk plaatsvonden. Napoleon kwam in 1801 namelijk als eerste consul aan de macht en onder zijn invloed kwam er een nieuwe constitutie in Nederland. En aangezien hij de christelijke godsdienst bevorderlijk vond voor het staatsbelang, ging hij zich meer met de kerk bemoeien. De scheiding van kerk en staat bleef dus alleen op papier bestaan. Dit had onder meer gevolgen voor het vervallen van de traktementen van voorgangers: dit werd ingetrokken. Bovendien moest iedere burger van boven de 14 jaar zich bij een kerk inschrijven en verplicht een jaarlijkse bijdrage betalen. Toen Napoleon in 1804 keizer werd, wilde hij ook dat er in de andere van Frankrijk afhankelijke landen een eenhoofdig bestuur kwam. Zo werd R. J. Schimmelpenninck in 1805 als raadpensionaris aangesteld. In dat jaar werd er gestart met een evangelische gezangbundel, die uiteindelijk uitkwam op nieuwjaarsdag 1807. In deze bundel werd het nationalistisch gekleurde voorzienigheidsgeloof van die dagen duidelijk zichtbaar, het zou dan ook op nogal wat verzet stuiten. Het bewind van Schimmelpenninck zou van korte duur zijn, na een jaar moest hij al plaats maken voor Lodewijk Napoleon, die koning van Holland werd. Dit betekende meteen het einde van de Bataafse Republiek en het begin van het Koninkrijk Holland.

 

Lodewijk had als ideaal om de verdeeldheid tussen de kerkgenootschappen te reduceren. Op dat moment was ruim de helft van de 2,2 miljoen Nederlanders hervormd, ruim 38% was katholiek, 3% lutheraans, 1,41% doopsgezind, 1,79% was Israëliet en de rest bestond vooral uit kleine protestantse groepen. Hoewel er in het nieuwe koninkrijk beloofd werd dat predikanten hun traktement zouden behouden en dat ook geestelijken uit andere gezindten een toelage zouden ontvangen, gebeurde de betaling daarvan maar in beperkte mate, wegens de slechte economische omstandigheden van het land. In 1808 werd er een Ministerie van Eredienst opgericht, geleid door de minister van Binnenlandse zaken Mollerus. Als hoofdcommies van dit ministerie werd de theoloog J. D. Janssen aangesteld, die ook onder Willem I een grote invloed op dit ministerie – en daarmee op het bestuur van de Hervormde Kerk – zou uitoefenen. Hij zag de staat als totaalverband van de menselijke samenleving, waarbinnen andere bestanddelen hun plaats hadden, waaronder ook de kerk. Binnen de kerk moest volgens hem de godsdienst zelf vrij worden gelaten en alleen het uitwendig kerkbestuur worden geregeld.

 

In juli 1810 werd Lodewijk afgezet en werd ons land ingelijfd bij het keizerrijk Frankrijk. Deze bezetting werd gelaten ondergaan, hoewel het destructief was voor de economie van Nederland, omdat het geld in Franse belangen werd gestoken. In deze periode heeft Napoleon voor centralisatie van het bestuur, de wetgeving en de financiën van het land gezorgd. Dit wilde hij ook in de kerk realiseren, door de katholieke en protestantse groepen onderling te verenigen. Maar de kerken stonden hier niet voor open. In oktober 1813 zou Napoleon ten val komen en verbannen worden naar Elba. Dit opende in Nederland de mogelijkheid voor een nieuwe situatie, die al snel tot stand zou komen met de terugkeer van de prins van Oranje vanuit Engeland op 30 november 1813.

 

KONING WILLEM I (1813-1840)

 

Deze prins – Willem Frederik (1772-1843) – de zoon van stadhouder Willem V, liet zich op 2 december tot soevereine vorst uitroepen. Wel moest hij daarbij een constitutie accepteren. Toch zou Willem I al snel alle trekken van een verlicht despoot vertonen: hoewel hij openstond voor nieuwe denkbeelden, kon hij niet goed uit de voeten met het constitutionele denken. Maar omdat het volk na de woelige Bataafse en Franse tijd – die destructief was voor de Nederlandse economie – behoefte had aan een zelfstandige natie, werd hij als verlosser binnengehaald. Was Nederland voor 1795 nog een gereformeerde natie, na een verlicht-revolutionair intermezzo was het verlicht-protestant geworden: God, Nederland en Oranje werden zo met elkaar verweven. Willem I liet zich daarbij gelden als opperkerkvoogd. Hoewel er geen sprake meer was van een staatskerk of een bevoorrechte kerk, was er wel intensieve bemoeienis met kerkzaken. Bovendien werd er een afzonderlijk departement voor erediensten ingesteld, waarbij J. D. Janssen betrokken was als secretaris en adviseur.

 

In het congres van Wenen in 1815 deed Willem een succesvolle lobby om België bij zijn rijk te voegen. Oostenrijk en Pruisen hadden weinig belangstelling voor het land en het leek de geallieerden goed om een stevige bufferstaat op te werpen tegen de expansiedrift van de Fransen. Toen Napoleon in de zomer van 1815 echter ontsnapte van Elba en snel naar het noorden optrok, stond dit onder druk. Maar Napoleon werd gestuit toen hij de Slag bij Waterloo verloor, waardoor hij volledig van het wereldtoneel verdween. Willem I had dus wat hij wilde: het Koninkrijk der Nederlanden was een feit. In datzelfde jaar werd de nieuwe grondwet aan de vertegenwoordigers van het noordelijke en zuidelijke volksdeel voorgelegd. Hierin werd de macht tussen de vorst en de volksvertegenwoordiging verdeeld, naar verlichte beginselen. Vanwege de gelijkstelling van de verschillende kerken, stemde een minderheidsgroep onder leiding van de Gentse bisschop M. de Broglie echter tegen. Zij wilden het katholieke karakter van België vast laten leggen in de grondwet. In het noordelijke volksdeel werd de nieuwe grondwet juist omarmd vanwege zijn liberale karakter. Door de afwezigen in België bij de voorstemmers op te tellen, behaalde de grondwet echter toch een meerderheid. Omdat er geen noemenswaardig verzet kwam, kon de koning zo zijn liberale bewind in Nederland voortzetten.

 

Zoals bij Napoleon, hadden de kerken in de ogen van de staat vooral betekenis als opvoeders in de algemeenchristelijke deugden. Om dit te bevorderen trachtte de koning de kerkgenootschappen algemene reglementen op te leggen, hoewel hij liever één nationaal kerkgenootschap had gezien. En aangezien de staat de traktementen van de predikanten betaalde, voelde Willem zich vrij om zich met kerkelijke zaken te bemoeien. In 1816 werd aan de Nederlandse Hervormde Kerk een reglement opgelegd, waarin “de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland” centraal stonden. Zo werd deze kerk een bestuurlijke eenheid, die – in tegenstelling tot het presbyteriale systeem – feitelijk top-down was gestructureerd: het zwaartepunt lag bij de algemene synode, vervolgens bij de provinciale kerkbesturen, de klassikale besturen en uiteindelijk bij de kerkenraden. Als iemand vanuit de lagere besturen bezwaar wilde maken, dan kon dat op een niveau hoger, die hem zo nodig nog een niveau hoger konden sturen. Verder kwamen veel ideeën van J. D. Janssen in het reglement terecht: de kerk zou gaan functioneren in een nutsfunctie onder de staat en alleen over uitwendig bestuur werden er uitspraken gedaan door de diverse bestuurlijke lagen, zaken met betrekking tot de leer werden vrijgelaten. Deze relativering van de leer kwam onder meer terug in een strijdpunt rondom de nieuwe proponentsformule: was het “overeenkomstig” in de formule omdat (quia) of voor zover (quatenus) de leer van Gods Heilig Woord in de Formulieren van Enigheid was vervat? Deze inhoudelijke kwesties zouden de gemoederen in de Nederlands Hervormde Kerk gedurende de hele 19e eeuw bezighouden.

 

Baptist is afkomstig van het latijnse baptizare (onderdompelen), baptisma (doop), baptista (doper). De apostelen en de eerste christenen zouden op deze manier gedoopt zijn. De kinderdoop ontstond rond het jaar 200, nadat er een leer ontstond die stelde, dat de wedergeboorte en genade bij de doop beginnen.